Stoutenburger Almanac
„Kennis die alleen op een scherm bestaat, is geleend." — Eo Ena · Archivaris
Stoutenburger Almanac
Drukvelde hele stapel op A4, voor- en achterkantBestellen via deze verwijzingen steunt de Almanac — de prijs blijft gelijk.
Spijkerwerk — Zeventig spijkers is zeventig kansen op een blauwe duim. Houd de spijker met een kam of tang vast, niet met vingers.
Houdingspijn — Uren gebogen over een raam wreekt zich in nek en schouders. Zet het raam schuin op tafel, tegen iets aan — en sta elk half uur op.
Naaldsteken — Een stopnaald door een dicht weefsel schiet door. Duw met een vingerhoed of een stuk leer, nooit met de blote vingertop.
Schroef of spijker de vier latten tot een stevig rechthoekig raam van 60 × 45 cm. Sla in beide korte latten een rij spijkers, om de vijf millimeter, drie centimeter diep, allemaal even ver uitstekend en licht naar buiten hellend.
Knoop het kettinggaren aan de eerste spijker en rijg het zonder onderbreking op en neer: om spijker boven, om spijker onder. Span elke draad gelijk — strak als een gitaarsnaar is te strak, doorhangen is te slap. Knoop af aan de laatste spijker.
De ketting is het skelet van het doek; de spanning van vandaag is de vorm van het doek voor altijd. Eén slappe draad wordt een golvende baan in het weefsel, één te strakke trekt de zelfkant naar binnen. Gelijk belangrijker dan strak.
Eén draad hangt door — niet opnieuw scheren: wikkel de draad bij zijn spijker een halve slag extra om de spanning bij te zetten.
Weef onderaan drie rijen met dik restgaren, om en om onder en over de kettingdraden, en druk ze stevig tegen de spijkerrij. Deze rand weeft niet mee in het doek — hij zet de ketting op gelijke afstand.
Weef de schedstok als één brede inslag door de ketting: onder de even draden, over de oneven. Gekanteld opent hij een gang — het sched — waar de naald in één beweging doorheen kan in plaats van draad voor draad.
Kantel de schedstok, schuif de naald met inslaggaren door de gang, en leg de draad in een ruime boog — een heuveltje — voordat je hem aandrukt. Terug gaat het draad voor draad: over waar je heen onderdoor kwam. Laat aan het begin een staart van tien centimeter hangen.
De boog is het hele geheim van rechte zelfkanten: een inslag die strak getrokken wordt, snoert de ketting bij elke rij een fractie verder in — tot het doek een zandloper is. De boog geeft precies genoeg lengte om om de kettingdraden te buigen zonder te trekken.
Zelfkanten snoeren naar binnen — de klassieker: inslag te strak. Grotere boog leggen, en de komende rijen bewust niet aantrekken bij de kanten.
Druk elke inslagrij met de weefkam recht en gelijkmatig tegen de vorige — over de hele breedte even hard. Controleer om de tien rijen met de duim of het doek overal even dicht voelt en of de rijen haaks op de ketting staan.
Weef tot een handbreedte onder de bovenste spijkers, sluit af met drie rijen restgaren, en til dan de kettinglussen één voor één van de spijkers. Knip de lussen open en knoop ze twee aan twee vlak tegen het weefsel af.
De laatste handbreedte is niet te weven: de gang wordt te krap voor de naald. Het twee-aan-twee knopen sluit elke inslagrij op — zonder die knopenrij rafelt het doek van boven naar beneden uit als een trui met een losse draad.
Bovenste rijen zitten los — de laatste centimeters weven altijd slapper. Schuif de rijen met de kam strak aan vóór het afknopen, niet erna.
Werk alle hangende garenstaarten met de stopnaald een paar centimeter terug het weefsel in. Was het doek met de hand in lauw water met wolzeep, knijp het uit in een handdoek — nooit wringen — en speld het op maat gespannen te drogen.
Rechte zelfkanten — Het doek is boven, midden en onder even breed; leg er een lat langs.
Gelijke dichtheid — Tegen het licht toont het weefsel een egaal raster; geen banen die opener of dichter zijn.
Vaste kanten — Trek zacht aan de franjeknopen: niets verschuift.
Haakse rijen — De inslagrijen staan haaks op de zelfkant, ook na het wassen.
Een geweven doek van ± 30 × 45 cm in effen binding, met rechte zelfkanten en afgehechte franjes — gewassen en opgespannen gedroogd.
Doek is een zandloper — Inslag te strak getrokken. Voor dít doek: gespannen en vochtig blokken. Volgende doek: grotere bogen leggen.
Golvende baan in het weefsel — Eén kettingdraad had andere spanning. Niet te herstellen na het weven; wel te verbergen met een verstel-steek in hetzelfde garen.
Gat of gemiste draad — Repareer met de stopnaald: volg het patroon van de inslag twee rijen boven en onder het gat na, in hetzelfde garen.
Doek scheef gedroogd — Opnieuw bevochtigen, haaks opspelden en opnieuw laten drogen; weefsel onthoudt zijn laatste natte vorm.